Geschiedenis rond de naam Herberghe Froskenburch


De Friezen waren verdeeld in twee kampen, Schieringers en Vetkopers. De kloof liep dwars door de bevolking heen, tussen jong en oud, arm en rijk, adel en rijken onderling en tussen geestelijken en leken. In de meeste steden, waaronder Leeuwarden, hadden de Vetkopers de touwtjes in handen en daarbuiten, ook in het huidige Aldlân, deelden de Schieringers de lakens uit. In de 13e en 14e eeuw waren beide kampen in een verbeten strijd gewikkeld. Buiten Friesland begreep geen hond waarom en waarover beide partijen nou eigenlijk oorlog voerden en misschien was het henzelf op den duur ook wel ontschoten. In elk geval waren zowel Schieringers als vetkopers vergeten hoe en waarom ze met die naam waren opgezadeld, maar dat kon de vechtlust niet drukken. Tot het verstand bij de kopstukken van beide partijen eindelijk zegevierde. Die dikke honderd jaar oorlog had wel erg veel bloed en kapitaalvernietiging gekost. Hoog tijd om de wonden te likken en een wapenstilstand in acht te nemen. Maar ondanks de jaren van betrekkelijke vrede en groeiende welvaart lag er in elk huis nog wel een rekening die om vereffening schreeuwde: een overgroot­vader die bijna honderd jaar eerder aan het zwaard was geregen, dat oude moedertje dat in haar hutje was omgebracht  een gesneuvelde echtgenoot, vader, zoon of broer. En dan al die in de strijd verminkte mannen, platgebrande huizen en boerderijen en niet te vergeten dat kostbare vee dat als overwinningsmaal in de maag van de vijand was verdwenen. Wraakgevoelens werden gekoesterd en overgedragen van vader op zoon. Er was een bestand, maar onderhuids bleef het broeien en het was gewoon wachten tot iemand het lont in het kruitvat zou gooien. En dat gebeurde dan ook prompt, alleen niet in het kruitvat, maar in een bierfust. Door het decennialange bestand bloeide Leeuwarden uit tot een belangrijk handelscentrum. Maar het kon altijd beter en dus besloten de vroede vaderen van weleer tot een invoer verbod van goederen die in de stad zelf konden worden geproduceerd. Voor met name de bierhandel bleek dat een gouden greep, want bier was een volksdrank en de stad was dan ook vergeven van de brouwerij-tjes. Op invoer, verkoop en het drinken van vreemd bier stonden hoge straffen, niks gedoog beleid. Aanpakken die criminele zuipers! Nou vond niet iedereen dat gemeentelijk pils te pruimen en zeker niet de groep Schieringers die in 1487 de stad aandeden voor handel. Na gedane zaken dook het stel de herberg in voor een beste pint, nee niet dat stadse bocht. Echte Schieringers dronken echt bier: Haarlemmer Kuyt. Eén Schieringer kon je nog weigeren, maar een hele horde? De in het nauw gedreven herbergier tapte dus uit het verboden vat. Al snel ging het gerucht dat een troep Schieringers ongegeneerd verboden bier zat te slurpen. Een uitgelezen kans waarop vetkopers hadden gewacht. In de stad vormde zich een woedende menigte om hun gram te halen. De gealarmeerde Schie­ringers konden ternauwernood het vege lijf redden door de Ameland Stins van de Schieringer Cammingha in te vluchten. De opgefokte meute vroeg aan de poort of Cammingha zijn gasten maar even wilde uitleveren om te worden gelyncht. Nou nee, dat wilde Cammingha niet. Dan maar een belegering, honger zou het tuig vanzelf naar buiten dwingen. En naarmate de tijd verstreek gingen de magen te knorren. Monniken mikten stiekem bier en broden over de Stinsmuur, maar die paar vaatjes bier waren niet meer dan een druppel in veel dorstige kelen en het brood een kruimel op een heleboel hongerige magen. De vetkopers probeerden angstvallig de affaire binnen de stadsmuren te houden. Maar ze hadden geen rekening gehouden met de olifantsoren van de Schieringers. Hun bloed kookte toen het gefluisterde nieuws naar buiten lekte. Koeriers op snelle paarden trokken van Stins naar Stins en deden verslag van de wandaad van die stadse vetkopers. Wilde de heer met zijn volk mee op oorlogspad? Nou reken maar! Binnen een paar weken was een leger op de been gebracht. Onze voormalige buren sloten zich enthousiast aan, want hoe vaak waren zij niet slachtoffer geweest als dat stadse tuig weer op rooftocht toog. De vroede vaderen schrokken zich wild toen ze vernamen dat een tot de tanden bewapend leger van (volgens de overlevering  maar liefst 8000 man naderde. In allerijl trok een delegatie de troepen tegemoet met het voorstel dat als het leger zich terug trok de Schieringers een vrijgeleide zouden krijgen. Het antwoord was duidelijk: een vrijgeleide was niet voldoende, ook alle handelsbeperkingen moesten van tafel. Afstand doen van die lucratieve handel? Dat was voor de zuinige vetkopers een financiële brug te ver. Ze vertrouwden op de stevige stadsmuren en vergaten blijkbaar de zwakke plek aan de oostkant van de stad. De Schieringers drongen hier de stad binnen die niet was voorbereid op een aanval van deze omvang. Wat volgde was een ware slachting waarbij niets en niemand werd ontzien.
In dat rampjaar 1487 werden weerloze burgers meedogenloos neer gemaaid of in het kot gesmeten. Het bier werd duur betaald. Het enige lichtpuntje was dat met de val van Leeuwarden er een definitief einde kwam aan de strijd tussen Vetkopers en Schieringers. En onze vroegere buurtgenoten? Die zijn waarschijnlijk in een overwinningsroes met hun oorlogsbuit huiswaarts gekeerd.
Van onze vroegere vechtlustige buren nu maar snel terug naar deze tijd. Alles mag dan veranderd zijn, we hebben wel weer een herberg in de wijk. En in Herberghe Froskenburch wordt in alle openheid uit verschillende vaatjes getapt.